Nevels rijzen Moeras en heide Als mistige slangen Hun stemmen de schaduw Een zang die lokt En betoverd Sluiers van maanlicht Tot de zon ze breekt Onder hun sluier gloeit geen genade maar de kilte van aarde Onder hun sluier gloeit geen genade maar de kilte van aarde Een lied dat dwingt en betoverd Verstrikt in het duister Tot het einde spreekt Wie hun blik ontmoet Verliest zichzelf in melancholie In wortels verstrengeld Waar het hart eens klopte Rest enkel gefluister Ik kan niet langer Ik wil niet meer Wij zijn de ziekte Wij zijn het beest Die zijn meester verslindt Onder hun sluier gloeit geen genade maar de kilte van aarde Wie hun blik ontmoet Verliest zichzelf in melancholie Onder hun sluier gloeit geen genade maar de kilte van aarde Een koor dat zingt en verorberd Verstrikt in het zwijgen Tot de ziel verbleekt Wie hun blik ontmoet Verdwaalt voorgoed in zijn eigen diepte