Te midden van een waas Mijn borst voelt een zware druk Wakend lig ik in het gras De opkomende zon Geeft een glinsterend gezicht Aan de ochtenddauw die mijn rugzijde drenkt Doch mijn pijn verlicht Mijn adem stokt Ik schrik wakker uit een zwarte droom Waarin ik als in drijfzand vastgezogen Mijn paniek betoom Als een hecht verwant Omhelst de mist mijn zere lijf Gevolgd door misleidend gezang Verdwaasd kijk ik hevig om mij heen Betwijfelend of ik halfslaap of dat ik dood ben En zie wat men slechts hoort te zien als het lot ons komt halen Heimelijk leef ik angstig en alleen Hoewel het hart schreeuwt om liefde, ontloop ik iedereen Verzonken in het slijk Betreed ik een mistig schimmenrijk Het dorp, de mensen en 't moeras Waar ik onderdeel van was Nu zo zichtbaar een kloppend geheel Nu ik mijn aandeel onder ogen kom Bezinkt waarom ik nu stil verdom Met gedachten vol spijt Zit ik vast tussen hemel en aarde, een vacuüm in tijd Zo hard ik rennen kan Mijn klompen vastgezogen in het koude veen Volhardend in mijn wil achtervolg ik het licht Alsof ik een bekende volg met mijn ogen dicht Heimelijk leef ik angstig en alleen Hoewel het hart schreeuwt om liefde, ontloop ik iedereen Gefluister herinnert mij aan Het uur voor een goed gebaar Een laatste kans gekregen Niet te sterven als kluizenaar Hoort mij, verlicht mijn donk're hart Nevel, ontneem mijn zielensmart En door de weiden rennen wij Op zoek naar de morgen als vogels zo vrij Als de boerenlucht giert door mijn hoofd Besef ik dat ik leef en tot nu was verdoofd Hunkerend naar leven nu de dood naar mij smacht 'k Besef dat het leven mooier is dan ik dacht Ik ben slechts een sterveling, vergankelijk van aard Verlicht in een mistbank mijn ziel gespaard Verzonken in het slijk Betreed ik een mistig schimmenrijk