In de schaduw van het land, onder duistere wolken,
Waar bloed en moed hun zonden mengden,
Twee broeders staan, in de kou,
Hun zonden geëtst, hun zwaarden gezuiverd.
De mensen rouwen, de rijkdom is verduisterd,
Hun handen doven het vuur van het volk,
Ze grommen in de stilte, met ogen die alles zien,
Twee zonden in de nacht, die nooit meer rusten.
Ze vraten hun leiders, verslonden hun zonden,
De wereld in chaos, hun ziel verloren,
O, de gebroeders de Wit, de draak van hun tijd,
Hun macht is hun val, hun bloed is vergiftigd.
De menigte schreeuwt, hun namen in de lucht,
Maar de broers draaien zich om, hun zwaarden doordrenkt,
Het recht is een leugen, het wordt verzwolgen door de macht,
Hun zonden groeien, hun zonden branden.
Tussen dood en verraad, tussen eer en wanhoop,
Zij roepen de storm, zij zijn de hand van de duisternis,
Hun broederschap, een keten van ijzer en vuur
Ze vraten hun leiders, verslonden hun zonden,
De wereld in chaos, hun ziel verloren,
O, de gebroeders de Wit, de draak van hun tijd,
Hun macht is hun val, hun bloed is vergiftigd.