De zon is verdronken, de aarde drinkt, waar voetstappen sterven in as en stof. Geen gebed, geen vergezicht, alleen de roep van een oude belofte. Gesmeed in ijzer, bezegeld in vlees, een eed gebonden aan schaduw en steen. Geen tijd wist dit vonnis uit, geen vuur dooft dit verbond. Wie het bloed eist, zal het vergieten, wie de naam roept, zal hem dragen. Want de wet is ouder dan koningen, en de schuld blijft eeuwig bestaan. De maan ziet toe met kille ogen, haar licht weerkaatst op gescheurd staal. Elke snee vertelt een verhaal, elke wond is een verloren naam. Een koor van stemmen, gebroken en dof, fluistert tussen dode takken. Hun adem hangt in de nevels vast, hun eed vervlochten in wortels en steen. Geen ontkomen, geen vergiffenis, wie zweert, draagt de last voor altijd. De schaduwen groeien, het pad verdwijnt, de echo’s blijven in de wind bestaan. Uit as verrijst een nieuwe dageraad, getekend door de rode zon. Een wet geschreven in bloed en bot— tijdloos, tot het laatste woord verstomt.