Onder maanlicht, koud en zwijgend, waar schaduwen dansen op steen, wordt een naam in bloed geschreven, een eed die eonen bleef bestaan. Ref. Hand op staal, oog op vijand, geen barmhartigheid, geen spijt, de eerste slag—aangeboren, de laatste slag—voor altijd. Door merg en been snijdt het lot, een wet gegrift in oude wonden, geen ontwijking, geen genade, alleen de eed die ons verbindt. Vergeet niet wie gevallen zijn, hun stemmen sidderen in de nacht, hun offer eist een wederkeer— bloed zoekt bloed, tot het verzadigd is. Wie eenmaal zweert, keert niet terug, geen pad leidt terug naar het licht, de sterren verdonkerd door herinnering, de dageraad verstikt door schuld. De eed is geen woord, maar een wil, gesmeden in vuur en verloren dagen, een echo van voorvaderlijke woede, gefluisterd in elke slag van het hart. Hun namen blijven, in steen gehouwen, hun as vermengd met koude aarde, elk zwaard dat heft, draagt hun last, elk strijdkreet roept hun schimmen aan. Dus sta ik hier, in ’t bleke schijnsel, mijn hand getekend door wat was, en zweer ik opnieuw, voor allen die vielen— bloed om bloed, tot de dageraad breekt.