Eerst enkelen, toen honderden, toen duizenden Lyrics


Er waren er opstanden in die dagen.

Want de koning wás blind en het land wás dor.

En zij begunstigden mij.

Eerst enkelen, toen honderden, toen duizenden.

Zij boden mij hun zwaard, boog en speer.

Zij kroonden mij en presenteerden mij mijn banier.

Acht pijlen, wijzend vanuit binnen naar buiten, wit op zwart.

Symmetrisch onder een gouden kroon.

Toen kwamen zij.

De wraak van het oude rijk vormde zich aan de horizon.

De slaven legers van de koning van een duizend ketenen.

Eerst enkelen, toen honderden, toen duizenden.

Een woud van hout, ijzer en vlees. Gruwelijk en scherp.

Onder de banier van het gesloten oog, zwart op wit.

De grond beefde bij hun aankomst.

En zij zongen, die muur van speren.

Zij zongen.

“De klap van de zweep

brengt ons naar de strijd.

Wij marcheren dag en nacht.

Één in geest en tred.

En één in trouw en daad.

Wij vechten dag en nacht."

En wij ontmoetten hen.

De dans des doods was begonnen.

Schildmuren formeerden zich, wapens werden ontbloot.

Iedere stap een intimidatie, imitatie , in formatie.

Totdat de stilte viel

Als een gigant die zijn adem staakt.

Even was iedereen één met de oneindigheid.

Een zaligheid vóór de wreedheid, mensheid, waarheid.

Alle gruwelijkheid in de mens werd manifest

bij de ontmoeting tussen krijger en slaaf.

Een grote schok ging door het land.

En zij stierven.

Eerst enkelen, toen honderden, toen duizenden.

Gulzig dronk de aarde het bloed van de doden.

Stervenden kermden scholden en vervloekten

De slag verwerd een strijd op een duizend lijers.

En de speren staken door, erdoor, eronderdoor.

Ik telde wie nog stond, wie mij nog trouw was

Wie mij nog diende, wie nog in leven was.

Eerst duizenden, toen honderden, toen enkelen.