Dit zijn de generaties van de eerste voorvaderen.
Natie makers, koning vaders.
De aartsheren en goden doders.
De wereld beefde in hun aanwezigheid
en de kosmos schikte zich naar hun evenbeeld.
In de dageraad van bestaan, liep men met Goden.
In die dagen waren er helden, mannen van vermaardheid.
Maar men stierf van ijver en stak de goden neer.
Nu loopt men alleen, voor altijd alleen.
De stervende Goden in hun toorn vervloekten de mens.
“Laat hen steden bouwen, waar zij leven als wolven.
Laat ze in wreedheid leven. In doodsangst en gevaar.
De waarheid zal verboden zijn, iedereen een leugenaar.”
De burchten wérden groot en de muren stónden hoog.
Men richtte de speren naar elkaar en het bloed vloeide door de straten.
Verboden werden gebeden, in steen gegrift en bewaakt.
De wachters sloten de poorten, de dystopie volmaakt.
"Voorbij de horizon is het verboden ravijn
De eeuwige leegte, buiten tijd, buiten vorm.
Zij omringt de wereld, het diepste domein.
Het rijk van creatie, essentie, destructie.
En zij roept."
"Er is een stem die mij roert,
Ik sluit mijn ogen en hoor.
Het is het lot dat mij zoekt.
De verboden diepte roept mij voort."
In het zonlicht blind voor de ketenen die hem bonden
Gesmeed door wijlen mannen, koningen en goden
Alleen de nacht in haar eerlijkheid liet hem doorgronden
En zag hij het pad dat hem werd verboden.
De wachters spraken.
“De poort is gesloten
Niemand krijgt het recht!
Laat varen alle hoop,
Stap voorts en vind de dood.”
“Ik ben de schutter die nooit mist
de spreker die nooit veinst
Mijn ketenen zijn gebroken
En mijn zwaard is ontbloot.”
De verboden diepte roept mij voort.
Ik vertrek en heb de wachters vermoord.