Wanneer de zomer ons verlaat En slierten mist de herfst begroeten Wanneer de nacht de zon verslaat En gezegenden beschutting zoeken Overwint telkens weer de Vorst met glans Elk blad herneemt zijn dodendans Stroom, noch stronk blijven gespaard Van wat Koning Winter openbaart Tergend Blijft Zijn werk ontstellen Hun komst, niet te voorspellen De Vorst, de Sneeuw en metgezellen Tempel Waar zelfs de ziel bevriest Waar elkeen de hoop verliest En Zijn Gevolg de dood verkiest Vervloekt gebeente Gegeseld door de tijd Voor altijd versteend Onder een sneeuwtapijt Beneveld woud Onwaarschijnlijke schoonheid Bitt’re koud’ Wrede wind die doorbijt